Een beetje stuurs zit hij tegenover me. ‘Ik weet ook niet precies waarover we het moeten hebben’, zegt hij en kijkt me aan. Hij vertelt een aantal dingen die gebeurd zijn de afgelopen tijd. Het klinkt alsof hij stappen heeft gezet die van waarde zijn. Ik benoem dat. Hij knikt. Dan valt het weer stil. Het is warm in de cel. De ventilator suist. Ik voel iets aan mij trekken. ‘Heb je het gevoel dat er ontwikkeling is rondom de thema’s waarover we het hebben?’ vraag ik. Hij knikt, onderbouwt dat met prachtige voorbeelden en slaat dan zijn armen over elkaar. Ik kijk naar mijn klokje, dat al een paar dagen een nieuwe batterij nodig heeft. Ik weet ook zonder de tikkende secondewijzer wel dat de tijd doorgaat, de wereld buiten ons verder draait en dat wij een afspraak hebben waar wij ons nu nét niet aan houden. Wie zet de eerste stap? Waarin? Waarheen? En: waarom?
‘Kan het zijn dat er enige weerstand is?’ vraag ik voorzichtig. Hij denkt diep na en zegt dan: ‘Ja, als jij dat zo benoemt dan kan ik dat wel herkennen.’ Het is één van de spannendste stappen die ik in een gesprek kan zetten: verbaliseren wat ik zelf in het hier en ervaar. Ik benoem de afwachtende houding, de stugheid, de wat weerbarstige antwoorden; de mogelijke agitatie, boosheid zelfs. En dat ik daardoor het gevoel krijg dat ik het niet goed doe; dat ik beter mijn best moet doen. ‘Herken je wat ik zeg?’ Hij luistert scherp, maakt zijn armen los en knikt. 'Ik denk dat dat wel klopt. Ja.’ ‘Hoe is het als ik dat zo benoem?’ vraag ik. 'Confronterend’, zegt hij. ‘En ook wel behulpzaam.’ Nu we de stugheid hebben benoemd, onderzoeken we samen de functie er van. Het lijkt een bescherming, een soort exoskelet voor… boosheid? Het eigen oordeel over die boosheid? Of een bescherming voor wat er ónder de boosheid schuil gaat: bijvoorbeeld verdriet. Hij knikt. ‘Maar, ik weet niet wat ik daar mee moet’, zegt hij, een tikje wanhopig. ‘Ik denk echt dat ik de laatste tijd meer dan ooit in mijn leven verdrietig ben’. Zijn bootje - waaraan hij eigenlijk moet klussen - wordt metafoor voor ons gesprek; we zien wat zijn gevoel van richtingloosheid - het verlies van eilandjes om naartoe te varen - doet met de beweging: zijn vaart stagneert. We gooien de peddels overboord. Hoe is het om niet te hoeven varen? We stappen zelfs het water in om zelf te zwemmen, of - beter nog - te dobberen. We drijven af, het verdriet drijft (met) ons mee. Niet weten gaat vaak over zijn, concluderen we even later. Of, verbetert hij mij, over vertrouwen. Voor de zoveelste keer verbaast het mij hoe goed je elkaar kunt volgen, zelfs binnen de beperking van taal of de abstractie van een metafoor. De beweging zit vaak niet in nóg een vraag stellen, harder zoeken of een richting aanwijzen. Misschien begint beweging juist daar waar we het niet weten en daar (samen) kunnen zijn. Iets zachter verlaat hij de cel, de gevangenis, het plein waar de zon fel schijnt. Iets zachter ook loop ik terug de lange gang door en glimlach. Opmerkingen zijn gesloten.
|
De Kleine Professorschrijft over de groei van cliënten, studenten én zichzelf.
Laat je e-mailadres achter en ontvang een mail als er een verse blog is!
Archieven
Augustus 2026
Categorieën
Alles
|

RSS-feed